German Shepherd Kennel von Germanium


Go to content

Rasstandaard

Info

De Duitse Herdershond is één van de meest populaire hondenrassen ter wereld. Deze honden zijn zowel goede gezelschapsdieren als werkhonden. Zij zijn uiterst geschikt als waak- en begeleidingshond en hebben de reputatie zeer toegewijd en vlug van begrip te zijn. De Duitse Herdershond is in de eerste plaats een behendige en toegewijde vriend die zonder problemen gemakkelijk is op te voeden en af te richten.

Kort historisch overzicht:
De Duitse Herdershond (of Deutsche Schaferhund, Alsatian) was altijd al een prima herders- en werkhond. Maar vooral nu blijkt hoe veelzijdig dit ras is. Het ras is gefokt uit een onbekend aantal verschillende Duitse Herdershonden. De moderne raskenmerken werden rond het begin van de 20e eeuw vastgelegd door zorgvuldige, selectieve fokkerij. Hij werd niet alleen op uiterlijk gefokt, maar vooral op temperament en de geschiktheid om te worden afgericht. Dit ras is zuiver Duits van oorsprong, maar werd voor het eerst in Groot-Brittannië getoond als de "Duitse Schapenhond". Duitse Herdershonden zijn gehoorzaam, trouw, rustig en alert en in staat om van alles te leren. Ooit waren het schaapshonden en bewakers van boerderijen, maar nu worden ze onder meer gebruikt als bijzonder talentvolle waak-, verdedigings-, speur-, geleide-, politie- en rampenhond. Het lichaam van de Duitse Herdershond is ideaal aangepast aan werken. Het is stevig, compact, niet te groot en niet te klein, snel en behendig. Deze honden zijn sterk genoeg om lichamelijke uitdagingen aan te gaan, maar tegelijkertijd zijn ze subtiel, zodat ze allerlei problemen kunnen oplossen. Ze hebben een fijne neus en een sterk beschermend instinct. Ze zijn intelligent, ondernemend en gehoorzaam tegelijk. Daarin schuilt hun succes als gezelschaps- en showhond. Duitse Herdershonden zijn niet voor niets populair. Door de populariteit is de kwaliteit van de hond achteruit gegaan, wat zowel in zijn aard als in de fysieke gesteldheid naar voren komt. Gelukkig hebben verantwoordelijke fokkers met behoorlijk succes gepoogd deze kwaliteit weer terug te brengen. De Duitse Herder is dol op de mensen die hij goed kent, maar iets afstandelijker tegen onbekenden. Voor succes als gezelschapshond moeten ze goed worden gesocialiseerd en opgevoed. Ze hebben veel behoefte aan geestelijke en lichamelijke stimulatie.

Algemeen verschijningsbeeld:
De Duitse Herdershond is middelgroot, licht gestrekt, krachtig en goed bespierd, de knoken droog en totaalstructuur vast.

Belangrijke verhoudingen in maat:
De schofthoogte bedraagt voor reuen 60 tot 65 cm, bij teven 55 tot 60 cm. De romplengte overtreft de maat van de schofthoogte met ongeveer 10 tot 17 %.

Karakter:
De aard van de Duitse Herder is zeer intelligent en leergierig, gehoorzaam, waaks, moedig en beschermend. Het is een hond welke graag werkt en dan ook veel gebruikt wordt als blindehonde, geleidehond, speurhond, waakhond en politiehond. Kortom, met deze hond moet u iets doen anders kan hij erg nerveus worden. Duitse Herdershonden zijn niet voor niets populair. Ze zijn dol op de mensen die ze goed kennen, maar iets afstandelijker tegen onbekenden. Voor succes als gezelschapshond moeten ze goed worden gesocialiseerd en opgevoed. Ze hebben veel behoefte aan geestelijke en lichamelijke stimulatie. Veel beweging dus en trainen!

Kop:
De kop is wigvormig, in overeenstemming met de lichaamsgrootte (ongeveer 40% van de schofthoogte), zonder plomp of overstrekt te zijn, in de totaalverschijning droog, tussen de oren matig breed. Het voorhoofd is van voren en van opzij gezien slechts weinig gewelfd en zonder of slechts met zwak aangeduide middelgroef. De verhouding tussen bovenkop en gezichtsgedeelte bedraagt 50 % - 50 %. De breedte van de bovenkop komt ongeveer overeen met de lengte van de bovenkop. De bovenkop gaat (van boven gezien) van de oren tot de top van de neus, gelijkmatig verkleinend met schuin verlopende, niet scherp gevormde stop over in het wigvormig verlopende gezichtsdeel (vanggedeelte) van de kop. Boven- en onderkaak zijn krachtig ontwikkeld. De neusrug recht, een dip of welving is niet gewenst. De lippen zijn strak, goed sluitend en van donkere kleur.
De neus moet zwart zijn.
Het gebit moet krachtig, gezond en volledig zijn (42 tanden volgens de tandformule). De Duitse Herdershond heeft een schaargebit, dat wil zeggen de snijtanden moeten als een schaar in elkaar grijpen, waarbij de snijtanden van de bovenkaak als een schaar over die van de onderkaak snijden. Tanggebit, bovenvoor- en ondervoorbijten is foutief, net als grotere tussenruimtes tussen de tanden (plaatsing met leemten). Foutief is eveneens een recht vlak van de snijtanden. De kaakbeenderen moeten krachtig ontwikkeld zijn opdat de tanden diep in het tandbeen ingeworteld kunnen zijn.
De ogen zijn middelgroot, amandelvormig, iets schuinsliggend en niet uitpuilend. De kleur van de ogen moet zo donker mogelijk zijn. Lichte, priemende ogen zijn niet gewenst, aangezien ze de uitdrukking van de hond benadelen.
De Duitse Herdershond heeft staande oren van middelmatige grootte, die rechtop en gelijkgericht gedragen worden (niet zijwaarts getrokken), ze zijn spits uitlopend en met de oorschelp naar voren gericht. Tip- en hangoren zijn foutief. In beweging of in rusttoestand naar achteren gericht gedragen oren zijn niet foutief. De hals: moet krachtig, goed bespierd en zonder losse keelhuid (wammen) zijn. De hoek ten opzichte van de romp (een horizontale lijn) bedraagt ongeveer 45°.

Lichaam:
De bovenlijn verloopt vanaf de halsaanzet over de goed ontwikkelde schoft en over de ten opzichte van een horizontale lijn heel licht afvallende rug tot aan de licht afvallende croupe zonder zichtbare onderbreking. De rug is vast, krachtig en goed bespierd. De croupe moet lang en licht afvallend zijn (ongeveer 23% ten opzichte van een horizontale lijn) en zonder onderbreking van de bovenbelijning overgaan in de staartaanzet.
De borst moet matig breed zijn, de onderborst zo mogelijk lang en uitgesproken. De borstdiepte moet ongeveer 45 tot 48 % van de schofthoogte bedragen. De ribben behoren een matige welving te tonen, een tonvormige borst is net zo foutief als vlakke ribben.
De staart reikt minstens tot aan het spronggewricht, evenwel niet over het midden van de achtermiddenvoet. Ze is aan de onderzijde iets langer behaard en wordt in een licht afhangende boog gedragen, waarbij ze in opwinding en bij beweging meer opgeheven gedragen wordt, evenwel niet boven de ruglijn. Operatieve correcties zijn verboden.

Ledematen:
De voorhand, de voorste ledematen zijn van alle zijden bezien recht, van voren gezien absoluut parallel. Schouderblad en opperarm zijn van gelijke lengte en door middel van krachtige bespiering vast tegen het lichaam gelegen. De hoeking van schouderblad en opperarm bedraagt in het ideale geval 90°, doorgaans tot 110°.
De ellebogen mogen noch in stand noch in beweging uitgedraaid worden en evenmin ingedrukt worden. De onderarmen zijn van alle zijden bezien recht en absoluut parallel staande ten opzichte van elkaar, droog en vast bespierd. De voormiddenvoet heeft een lengte van ongeveer éénderde van de onderarm en heeft een hoeking met deze van ongeveer 20 tot 22°. Zowel een te schuin staande voormiddenvoet (meer dan 22°) dan een te steil staande voormiddenvoet (minder dan 20°), beïnvloeden de gebruiksgeschiktheid, in het bijzonder het uithoudingsvermogen. De poten: zijn rond, goed gesloten en gewelfd, de voetzolen hard maar niet bros. De nagels zijn krachtig en van donkere kleur.
De achterhand, de plaatsing van de achterpoten is licht terugslaand, waarbij de achterste ledematen van achteren gezien parallel ten opzichte van elkaar staan. Boven- en onderschenkel zijn van ongeveer gelijke lengte en vormen een hoek van ongeveer 120°, de dijen zijn krachtig en goed bespierd. De spronggewrichten zijn krachtig gevormd en vast, de achtermiddenvoet staat loodrecht onder het spronggewricht.
De poten zijn gesloten, licht gewelfd, de zolen hard en van donkere kleur, de nagels krachtig, gewelfd en eveneens van donkere kleur.

Gangwerk:
De Duitse Herdershond is een draver. De ledematen moeten in lengte en hoekingen zo op elkaar afgestemd zijn dat hij zonder wezenlijke verandering van de rugbelijning de achterhand tot aan de romp verplaatsen kan en met de voorhand net zo ver kan uitgrijpen. Iedere neiging tot overhoeking van de achterhand vermindert de vastheid en het uithoudingsvermogen en daarmee de gebruikswaarde. Bij correcte verhoudingen in de bouw en hoekingen is een ruim uitgrijpend, vlak over de bodem gaand gangwerk mogelijk, dat de indruk geeft van moeiteloze bewegingen voorwaarts. Bij een naar voren geschoven kop en licht opgeheven staart ziet men bij een gelijkmatige en rustige draf een vanaf de oorpunten over de nek en de rug tot aan de punt van de staart verlopende zachtgewelfde en niet onderbroken rugbelijning.

Huid:
De huid is (los) aanliggend zonder evenwel plooien te vormen.

Beharing:
Gesteldheid van het haar: de correcte beharing voor de Duitse Herdershond is het stokhaar met onderwol. Het dekhaar moet zo mogelijk dicht, op correcte wijze hard en vast aanliggend zijn. Aan de kop met inbegrip van de binnenzijde der oren, aan de voorzijde der ledematen, op poten en tenen kort, aan de hals wat langer en sterker behaard. Aan de achterzijde der poten is het haar langer tot aan het polsgewricht, aan de achterzijde van de dijen vormt het een matige broek.

Kleuren:
Zwart met roodbruine, bruine, gele tot helgrauwe afrekening. Eenkleurig zwart en grauw, bij grauw donker gewolkt. Zwart zadel en masker. Onopvallende, kleine witte borstvlekken evenals zeer lichte binnenzijden zijn toegelaten maar niet gewenst. De neusspiegel moet bij alle kleurslagen zwart zijn. Ontbrekend masker, lichte tot priemende oogkleur evenals licht tot witachtige afrekening aan borst en binnenzijden, lichte nagels en rode staartpunt zijn als pigmentzwakte aan te merken. De onderwol vertoont een lichte grauwe tint. De kleur wit is niet toegelaten.

Grootte en gewicht:
Reuen moeten een schofthoogte tussen 60 en 65 cm en een gewicht tussen 30 en 40 kg hebben.
Teven moeten een schofthoogte tussen 55 en 60 cm en een gewicht tussen 22 en 32 kg hebben.

Zware fouten:
Afwijkingen van in het voorgaande beschreven raskenmerken, die de gebruiksgeschiktheid nadelig beïnvloeden.
Oorfouten: zijwaarts te diep aangezette oren, tiporen, "Schildspanner" - stand der oren, niet stevige oren.
Aanzienlijke pigmentgebreken.
Sterk benadeelde totaalvastheid
Tandgebreken: alle afwijkingen van het schaargebit en de tandformule zolang het niet gaat om uitsluitende fouten (zie onder).

Uitsluitende fouten:
karakterzwakke, bijterige en zenuwzwakke honden
honden met aangetoonde "zware heupdysplasie"
monorchiden en kryptorchiden, evenals honden met duidelijke ongelijke respectievelijk achtergebleven testikels
honden met misvormde oren - resp. staartfouten
honden met misvormingen
honden met tandfouten, bij het ontbreken van:
éénmaal premolaar-3 en een andere tand of
één hoektand of
één premolaar-4 of
één molaar-1 resp. molaar-2 of in totaal drie tanden en meer
honden met kaakgebreken: bovenvoorbeet van 2 mm en meer, ondervoorbeet, tanggebit over het totale gebied van de snijtanden
honden met over- resp. ondergrootte van meer dan 1 cm
albinisme
de haarkleur wit (ook bij donkere ogen en nagels)
langstokhaar (lang, week, niet vast aanliggend dekhaar met onderwol, pluimen aan oren en poten, ruige broek en staart met pluimvorming naar onder)
langhaar (lang, zacht dekhaar zonder onderwol, meestal met een scheiding midden op de rug, pluimen aan de oren en poten en aan de staart)


Back to content | Back to main menu